When we talk about something that happened in the past and is completely over, you use the past simple. When you want to form the past simple, don't forget that there are regular verbs and irregular verbs. First you'll see how to form positive, negative and question sentences. Then we'll learn how to form regular verbs and then the irregular verbs.
Wanneer we willen praten over iets dat gebeurd is in het verleden en volledig voorbij is, gebruiken we de past simple. Wanneer je de past simple wil vormen, vergeet dan niet dat er regelmatige en onregelmatige werkwoorden zijn. Eerst zal je zien hoe je positive, negatieve en vraagzinnen moet vormen. Daarna leer je om regelmatige en onregelmatige werkwoorden te vormen.
Look at the next item to learn how to form regular verbs in the past simple.
Learn the irregular verbs by heart!
The noblest pleasure is the joy of understanding.
Het meest nobele plezier is de vreugde van het begrijpen.
- Leonardo Da Vinci